'Ze is onder de mensen gegaan, in Congo, in Hongarije, in Egypte, in Syrië, in Mali. Ze is er telkens in geslaagd om veilig weer terug te keren, en ze had altijd een verhaal bij zich.' Maarten Asscher in Ons Erfdeel

HOME   WERK   LEVEN   BEELD   NIEUWS   COLUMNS   AGENDA   CONTACT   EN/FR

Inleiding Lieve Joris bij de fototentoonstelling van Marek Stawski

In het spoor van Joseph Conrad

Marek Stawski en ik leerden elkaar kennen in mei 1978. Hij was ingekwartierd in het Zeemanshuis in Amsterdam, een kazerneachtig gebouw met donkere muren. Wie het waagde op bezoek te komen en probeerde door te dringen tot de logeervertrekken, werd teruggeroepen door een conciërge met een alziend oog en een venijnige metalen stem.

Marek hield in zijn kamer een duif. Ze was als baby uit haar nest gevallen en had een gebroken pootje. Nadat hij haar een tijdlang liefdevol had verpleegd, nam hij haar onder zijn arm mee naar buiten om te leren vliegen. Maar ze weigerde van de grond te komen, zodat hij haar maar weer verstopte in zijn kast. De duif zat overdag braaf in een schoenendoos en wachtte tot Marek thuiskwam.

In Polen had Marek een kunstopleiding gevolgd, hij droomde ervan fotograaf te worden. Maar vooralsnog werkte hij in de bouw. ’s Avonds lag hij op bed, voerde zijn duif en at sinaasappels. Zijn eerste Nederlandse woorden waren ‘bikken’ en ‘sodemieter op’. Op een dag lag de duif dood in de schoenendoos. De werkster had haar de nek omgedraaid.

Toen Zbyszek Kość, de curator van deze tentoonstelling, me vroeg vanmiddag iets te zeggen, moest ik onwillekeurig aan die duif denken. De autonome manier waarop een jonge Poolse immigrant in dat vreugdeloze Zeemanshuis troost had gezocht en gevonden – zoveel jaar later kan het me nog steeds ontroeren. Die hang naar autonomie heeft Marek altijd behouden. Ik was verliefd en wilde bij voorkeur elke avond bij hem zijn, maar soms bleef hij dagen achter elkaar weg. Als ik naar hem op zoek ging, trof ik hem omringd door Russische zeelui in de ongezellige gemeenschappelijke ruimte van het Zeemanshuis; zaten ze samen tv te kijken.

In het voorjaar van 1986 maakten Marek en ik – onafhankelijk van elkaar, en met een tussenpoos van enkele maanden - dezelfde bootreis die Joseph Conrad in 1890 geïnspireerd had tot het schrijven van Hart der Duisternis. Zeventienhonderd kilometer dwars door het oerwoud het Congolese binnenland in, over een stroom die op sommige plaatsen zo breed is dat je de oevers niet kan zien.

Toen Conrad met de stoomboot Roi des Belges de rivier opvoer, was Congo Vrijstaat nog een wingebied van de Belgische koning wiens blanke agenten rubber en ivoor uit het binnenland haalden; de lokale bevolking beschouwden zij als angstaanjagende wilden. Bijna honderd jaar later stond aan het roer van het moederschip Colonel Ebeya een Congolese kapitein die zeven schuiten met drieduizend Congolese opvarenden de roestbruine stroom opduwde. Op die schuiten gonsde het van leven: er waren winkeltjes, restaurants, bars, bordelen, er werd gekookt, gewassen, geboren en gestorven. Er was zelfs een tribunaal waar dieven, fraudeurs, dronkenlappen en ruziemakers werden berecht.

Uit het oerwoud kwamen prauwen metamechtig roeiende oeverbewoners naar ons toe. Ze voerden vruchten, vissen, apen, krokodillen, gevlochten mandjes, matten en stoelen aan, en als ze die verkocht hadden, hesen ze zich aan boord, kochten zout, batterijen, scheermesjes en tweedehandskleren, en koesterden zich in de drukte die ze in hun elektriciteitsloze dorpjes zo misten. Die boot was voor hen een drijvende stad en vaak eindigde hun bezoek in de bar, waar ze koud bier dronken en op blote voeten dansten in hun gescheurde plunjes, tot grote hilariteit van de opvarenden.

Soms legde de Colonel Ebeya onderweg aan en vloeide de inhoud van de winkeltjes uit over de kade en de straten daaromheen; dan was het feest in het dorp, liepen dragers met hun handkarren af en aan, en maakten de passagiers van de gelegenheid gebruik om hun benen te strekken.

Om als blanke twee weken lang deel uit te maken van dat leven - ik geloof niet dat Marek en ik ooit een mooiere reis hebben gemaakt. We voeren het hart van Congo binnen, maar ook het hart van de Congolezen, een volk dat door zijn toenmalige president Mobutu jammerlijk in de steek was gelaten en dat met de moed der wanhoop begonnen was voor zichzelf te zorgen.

Marek heeft uit Polen een ouderwetse hoffelijkheid meegenomen. Hij staat op voor oude vrouwtjes in de tram, kapittelt jongelui die zich misdragen en vertelt vaak schrijnende anekdotes over de verruwing die hij tijdens zijn tochten door Amsterdam bespeurt. Laatst kwam hij thuis met twee zakken witte druiven. Het was het begin van de Ramadan en hij was, geëquipeerd met een paar Arabische woorden die hij in Egypte had opgepikt, de Turkse kruidenierszaak binnengewandeld. Monter had hij geroepen: ‘Ramadan karim!’ Gezegende Ramadan! Waarop de Turkse winkelierster – die in deze barre tijden vast wel eens minder aangename opmerkingen over haar geloofsbeleving moet aanhoren – hem achter de kassa had geroepen en hem die druiven cadeau had gedaan.

Ik was er niet bij toen Marek die bootreis over de Congostroom maakte, maar als ik naar zijn foto’s kijk, kan ik me voorstellen hoe het eraan toe ging. Hij was op zijn gemak te midden van de Congolezen, hij vatte meteen de veerkracht, de humor, de bubbelende energie die zij zelfs in momenten van tegenspoed tentoonspreiden.

‘Je moet nooit het eten weigeren dat mensen je voorzetten,’ zei Ryszard Kapuściński me eens, ‘want het is vaak het enige dat ze hebben.’ Het is een simpele, wijze les die ik nooit zal vergeten. Helpt het om, zoals Conrad, Kapuściński en Stawski, uit een land zonder koloniaal verleden te komen? Ik weet het niet, maar het viel me meteen op dat er geen scherm was tussen Marek en de Congolezen. Hij droeg geen last op zijn schouders. De Congolezen, die - zoals veel mensen in ontwrichte samenlevingen - een groot psychologisch inzicht hebben, voelden dat en reageerden erop door in zijn lens te kijken als in een spiegel.

Zoals sommigen van ons weten, heeft Marek de neiging zijn foto’s naar zijn zolder te brengen en ze daar te verstoppen. Zelfs onze fietsenmaker maakte er ooit een opmerking over. ‘Zeg, wat is er bij jullie toch aan de hand?’ vroeg hij. ‘Altijd als ik aan Marek vraag wat hij aan het doen is, zegt hij dat hij zijn zolder aan het opruimen is.’ Nu en dan kregen we de afgelopen decennia een glimp van Mareks reis over de Congostroom te zien: een illustratie in de Avenue of de Haagse Post, een cover van de eerste editie van mijn boek Terug naar Congo en menige editie daarna, een verjaardagscadeau. Maar de meeste foto’s zag ik tijdens de voorbereiding van deze tentoonstelling voor het eerst.

De jongens op de Colonel Ebeya die een hoekje hebben vrijgemaakt om te dammen op een zelfgemaakt bord met bierdopjes als damstenen; de jonge vrouw die een blik in de spiegel werpt voor ze zich in het dansgewoel stort; de drager in luipaardkleding bij zijn handkar; de blauwe nacht die om te boot valt – kijkend naar Mareks foto’s beleefde ik die reis op de Congostroom opnieuw. De foto van de drie jongetjes in pastelblauw op het dak van de Colonel Ebeya, is wat mij betreft een klassieker. Ze behoorden tot de illegale, rechteloze opvarenden met wie gesold werd en die aan de kost kwamen door met plastic tasjes te leuren en klusjes te doen voor de handelaars aan boord. Marek heeft hen gezien en liefdevol vastgelegd, ’s avonds in hun eigen, intieme wereld, hoog boven het gewoel, weg van de hoon en de hardheid op de overvolle dekken – tijdens hun avondtoilet, zoals hij het noemt.

 Toen Marek niet langer in het Zeemanshuis woonde en met zijn werk in de bouw voldoende geld had gespaard om een camera te kopen, kwam hij thuis en zei: ‘Maar wat moet ik nu fotograferen?’ Hij heeft het nooit herhaald, maar het is me altijd bijgebleven. Zijn vertrek uit Polen had – zoals dat van veel immigranten – zijn leven door elkaar geschud. Een droom die hij daarginder had gekoesterd, had in zijn nieuwe omgeving zijn dwingende karakter verloren. Droom en werkelijkheid speelden zich op andere plaatsen af, ze sloten elkaar uit.

Ik dank Zbyszek Kość omdat hij Marek ertoe heeft aangezet op zoek te gaan naar de foto’s van Congo die hij op zijn zolder verstopt had. Dank ook aan Iwona Smoktunowicz die deze aangename, intieme ruimte met uitzicht op een Amsterdamse binnentuin ter beschikking stelt aan Poolse kunstenaars. Misschien kunnen droom en werkelijkheid elkaar in deze omgeving alsnog ontmoeten.

Laten we dus het glas heffen op de succesvolle opruimactie van onze zolder en op Dom Polski. Moge Marek altijd het tere hart behouden waarmee hij bij zijn aankomst in Nederland voor die gekwetste babyduif zorgde, en het scherpe oog waarmee hij tijdens zijn bootreis de Congolese opvarenden vereeuwigde.

Lieve Joris