'Ze is onder de mensen gegaan, in Congo, in Hongarije, in Egypte, in Syrië, in Mali. Ze is er telkens in geslaagd om veilig weer terug te keren, en ze had altijd een verhaal bij zich.' Maarten Asscher in Ons Erfdeel

HOME   WERK   LEVEN   BEELD   NIEUWS   COLUMNS   AGENDA   CONTACT   EN/FR

Afrika en Azië: Het verhaal van een ontmoeting (Passa Porta Lezing 2010)

Ik schreef mijn tweede boek over Congo in een huis aan het water, net buiten Kisangani. Het was eind jaren negentig, de stad was in handen van Congolese rebellen en hun Rwandese en Oegandese bondgenoten; kindsoldaten struinden langs de verweerde gebouwen waartussen het gras hoog opschoot. Het huis lag achter een textielfabriek die betere tijden had gekend. Kort daarvoor had het in de frontlinie gelegen. In de tuin liepen sporen van rupsbanden en bij de waterkant was de aarde omgewoeld: daar hadden Oegandese soldaten tijdens de gevechten twee collega´s begraven, wier lichamen intussen gerepatrieerd waren.
Elf maanden heb ik daar zitten schrijven. Een parelhoen broedde haar eieren uit in een lege munitiekist, de tuinman ontdekte onder een struik een rubberlaars en stuitte, op zoek naar de tweede, op het vizier van een mitrailleur. De plek waar de gesneuvelde soldaten hadden gelegen, raakte overwoekerd door onkruid.
In die oorlogsstad doken twee jonge Indiase broers op. Ze kwamen uit Dubai en openden een winkel in het stoffige centrum – een eenvoudige nering waar het, tussen de rijst, suiker, melkpoeder en lucifers, rook naar goedkope zeep. Sachin en Vishal hadden niets van de trage, morose Indiër uit Naipauls Een bocht in de rivier, die in Kisangani aanspoelt en er hopeloos verstrikt raakt in lokale intriges. Energieke dertigers waren ze, hun winkel een uitkijkpost, een plaats van waaruit ze de markt bestudeerden. Ze hadden een grote sociale mobiliteit, kenden de lokale diamanthandelaars en raakten bevriend met de Indiërs van de VN-Vredesmissie MONUC. Soms vertrok een van hen naar Dubai, waar hun gezinnen woonden; de ander paste dan op de winkel.
Als zijn oudere broer er niet was, was Vishal eenzaam en kwam hij me wel eens opzoeken. Op een late middag zaten we bij het water en tuurden naar de oeverbewoners die in hun overdekte prauwen huiswaarts voeren. Algauw tekende het regenwoud aan de overkant zich af als een massief silhouet tegen de donkerblauwe lucht, werden de prauwen verzwolgen door de duisternis en begonnen de krekels om ons heen te tjirpen. Uit het bos klonk het gekrijs van apen en wilde papegaaien.
‘Zeg, zitten hier geen slangen?’ vroeg Vishal enigszins benauwd. Ik lachte. ‘Nee, joh, het gras is net gemaaid.’ Eén keer had ik een kleine groene slang in het gras zien ritselen. De tuinman doodde haar met één slag van zijn machete en nam haar in een emmer mee naar huis om op te eten. De vrouw van een fabrieksmedewerker was ooit gebeten door een slang toen ze via een verlaten paadje op het terrein naar huis wandelde, maar doorgaans waren slangen schuw – ze meden mensen.
‘Dat soort slangen bedoel ik niet,’ zei Vishal weifelend, ‘ik heb het over anaconda’s. Die zijn heel dik en wel vijf meter lang. Ze schieten als een pijl uit het water op je af, kronkelen zich om je lichaam en verstikken je.’
Anaconda’s, cobra’s, pythons – ze passeerden die avond allemaal de revue en al wilde Vishal zich niet laten kennen en bleef hij stug naast me zitten, hij was ongemerkt gaan fluisteren.
Ik moest de jaren daarna nog vaak aan die scène bij het water denken. Aanvankelijk hadden Vishal en zijn broer handel gedreven aan de oostkust; voorzichtig waren ze verder het Afrikaanse continent in getrokken. In het centrum van Kisangani voelden ze zich min of meer veilig, maar daarbuiten bevond zich een onbekende, beangstigende wereld. En toch waren ze gekomen. Terwijl blanke ondernemers de stad hadden verlaten en alleen de VN en westerse hulporganisaties in deze omgeving nog leken te gedijen, was Kisangani voor de twee broers een stad vol economische uitdagingen.
Het was de eerste keer dat ik, midden in het hart van Afrika, in aanraking kwam met het veranderende Azië, door de Indiase diplomaat Kishore Mahbubani zo treffend beschreven in zijn boek De eeuw van Azië. De wind van liberalisatie die Azië in zijn greep had, begon over Afrika te waaien en algauw zouden er steeds meer Aziaten in het Congolese straatbeeld opduiken. Maar ook onder de Congolezen zelf ontstond er beweging.
Riviera – de naam van het nieuwe café-restaurant zoemde door de stad. Hoog boven de barspiegels en het protserige meubilair wiekten ventilatoren in de klamme lucht. De Congolese eigenaar liep tevreden rond; hij had het interieur uitgezocht in Dubai, waarna het op een schip naar Kenia was gezet en met een vrachtwagen Congowaarts vervoerd.
Kisangani was door de oorlog afgesloten van de hoofdstad, waardoor er nieuwe handelsroutes ontstonden. Odia, een oud-militair die niet bevreesd was voor de rebellen, deed zijn inkopen in de oostelijke buurlanden Oeganda en Rwanda en nam op een dag het vliegtuig naar Dubai, een lange boodschappenlijst en het geld van een tiental collega’s op zak. De zakenlui uit Kinshasa die tot dan toe het alleenrecht op reizen naar het oosten hadden gehad, waren verbaasd. ‘Wat?’ zeiden ze, ‘is Kisangani nu ook al in Dubai gearriveerd?’
Onderweg hoorde Odia over een nog verdere bestemming: Guazou, Guanzou – hij wist niet precies hoe je het uitsprak, maar hij had verschillende mamans commerçantes gesproken die er geweest waren. Het zou even duren voor ik begreep dat hij het had over Guangzhou, bij ons beter bekend als Kanton, de havenstad in de Chinese Pareldelta, met een achterland van fabrieken.
Vanaf die tijd begon Azië een rol te spelen in mijn gedachten over zwart Afrika. Nu ik erop lette, zag ik Azië overal. Een Congolese vriend van me had in de jaren tachtig in Peking gestudeerd, een ander was vaak als journalist met president Mobutu naar China gereisd en ging er wel eens met vakantie. ‘Met vakantie?’ ‘Ja, ja,’ zei hij, ‘daar riskeer ik tenminste geen Vlaamse douanebeambte tegen te komen die weigert Frans tegen me te spreken, zoals me in Zaventem laatst overkwam.’
Ik ben door de jaren heen vertrouwd geraakt met de ingewikkelde relatie tussen Afrikanen en hun vroegere kolonisatoren. Als we elkaar zien, kijken we onwillekeurig in de spiegel van de geschiedenis – wat ons zicht op de toekomst soms vertroebelt. Terwijl de poorten van Fort Europa dichtklappen, gaan de Aziatische grenzen open. Ligt daar, ver weg van de blanke blik, ver weg van de zwarte verbittering en verwijten, misschien een nieuwe kans voor de Afrikanen? Met die gedachte vertrok ik in de lente van 2009 naar Dubai.

Ik trof Sachin en Vishal in Deira, het oude centrum van Dubai. In hun winkel stonden thermoskannen, olielampen, potten en pannen, rubberlaarzen, voetballen, blikken smeerolie, droge koekjes en sardines opgestapeld tot aan het plafond. Ik kende die spullen – uit Afrika. De winkel was de etalage van hun groothandel: alles wat je zag, konden de broers je in veelvoud leveren.
Een Indiase zakenvriend was hem in Kisangani komen opzoeken, vertelde Sachin. De man zag dat zijn winkel goed liep, maar bleef toch zorgelijk kijken. ‘Wat wil je eigenlijk,’ vroeg hij aan Sachin, ‘een groot stuk van de kleine cake – Congo – of een klein stuk van de grote cake – de wereld?
Sachin had zijn winkel in Kisangani opgedoekt. Intussen was het imperium van de broers aanzienlijk gegroeid: ze lieten in China hun eigen merk motoren en fietsen voor Afrika ontwerpen, en deden ook zaken in India. Vishal wilde de markt in Mogadishu en Basra gaan exploreren. ‘Mensen waarderen het als je in moeilijke tijden naar hen toe komt,’ zei hij, ‘je kweekt er goodwill door, waar je in betere tijden je voordeel mee kan doen.’ Uit Kisangani hadden ze hun trouwe winkelbediende Albert meegenomen, een Congolese aanhanger van de pinkstergemeente, die rookte noch dronk. Terwijl de broers in een veelheid van talen onderhandelden met hun agenten en leveranciers, stroopte Albert de hotelletjes en restaurants in de omgeving af op zoek naar Afrikaanse klanten.
Ik vatte post in de winkel van Sachin en Vishal en rolde van het ene verhaal in het andere. Nu eens liep ik een eindje metAlbert mee en bleef hangen bij Antoine, een treurige Libanese fabrieksdirecteur die door de crisis richting Dubai was gewaaid, waar hij Chinese kostuums en puntschoenen verkocht aan Afrikaanse klanten. Dan weer struinde ik door Deira met de Congolese commerçante Anne, die tussen twee boodschappen door een praatje was komen maken metAlbert.
Anne had twee winkels in de zuidelijke mijnstad Lubumbashi. De zaken gingen niet goed, veel geld had ze niet, maar ze was bang dat het op zou raken als ze er niets mee deed. Met drie andere commerçantes was ze naar Dubai gekomen om samen een container te vullen. Vroeger nam ze in haar eentje gemakkelijk twee containers voor haar rekening, maar sinds de crisis deed iedereen aan groupage.
We bezochten het wonderlijke winkeltje waar de oude bebaarde Hussein uit Rajasthan als een Neptunus heerste over een zee van blikkerende kraaltjes, haarspelden en make-up. Lipstick kostte 20 eurocent per stuk; mascara 12 cent. Het kwam allemaal uit het Chinese stadje Yiwu, zei Hussein, waar de mensen fabriekjes aan huis hadden. Anne haalde haar rekenmachientje tevoorschijn en kocht na enig onderhandelen zestig stuks van elk, plus kraaltjes en haarspelden, waarna ze een doosje poeder met een spiegeltje cadeau kreeg.
Ze dacht dat er alleen in Lubumbashi crisis heerste, maar allengs ontdekte ze dat het ook in Dubai niet goed ging. Het troostte haar, maar verwarde haar ook. De goederen in de winkels waren dezelfde als de vorige keer, er waren weinig nieuwe bijgekomen, en toch weigerden de verkopers hun prijzen te verlagen. ‘Jij die schrijver bent,’ zei ze, ‘weet jij wie er met het geld van de wereld vandoor is?’ In Lubumbashi had ze gehoord dat een Amerikaanse oplichter met biljoenen dollars aan de haal was gegaan. Was hij misschien de oorzaak van de crisis?
We stapten in het busje naar het containerpark, samen met Congolese zakenlui die in het vliegtuig Engels hadden geleerd. Business-Engels noemden ze het; ik had er in Anne’s gezelschap genoegzaam kennis mee gemaakt. Bij een Iraniër had ze rijst ingeslagen voor haar gezin. ‘I want rice,’ zei ze. ‘What you want, Indian rice, Pakistani rice?’ vroeg de Iraniër. ‘I want cheap rice.’ ‘Cheap, cheap?’ ‘Yes, cheap, cheap.
Alle goederen werden afgeleverd bij het containerpark. Het woord dat ik daar het meest hoorde was ‘chomeka!’ Dat riepen commerçanten als er een gat viel tussen verschillende dozen, dat volgepropt diende te worden met T-shirts of sjaals, om toch vooral geen ruimte verloren te laten gaan.
Nadat Anne en haar vriendinnen hun container hadden afgesloten, pakten ze in de hotelkamer die ze met zijn vieren deelden de zeventig kilo spullen in die ze per persoon mochten meenemen in het vliegtuig. Algauw lag de kamer vol met proppen papier, klerenhangers en lege verpakkingen, want alles ging mee in zijn meest kale vorm. Ik zwaaide hen uit toen ze met een pick-up vol kartonnen dozen vertrokken, en nam vervolgens zelf het vliegtuig naar China.

Enigszins beducht betrad ik het roze Tianxiu-gebouw in de Afrikaanse wijk van Guangzhou, een gonzende bijenkorf van winkeltjes waar je alles kan kopen, van kunstvlechten tot elektronica. Maar daar ging het verhaal dat in Dubai begonnen was, gewoon verder. Aan een winkeldeur bungelde een lange rij gifgroene spiegeltjes zoals David, mijn gids in de hoogvlaktes van Oost-Congo, er eentje had gehad: spiegel aan de ene kant, haarborstel aan de andere. In een speelgoedwinkel trof ik Sekna, een Malinese handelaar die in Brazzaville woont, achter een kindercomputer die hij voor zijn dochter wilde kopen. De behulpzame Chinese winkelier had hem de Franse instructies toegeschoven, maar Sekna staarde er onthand naar: hij kon niet lezen.
Diezelfde avond zaten Sekna en ik in het Malinese restaurant van maman Badialo, achttien hoog boven de verlichte stad, waar het verkeer voortraasde over een wirwar van fly-overs. Op een tv-scherm aan de muur speelde de Guinese band Bembeya Jazz een vertrouwd muziekje.
Badialo’s telefoon rinkelde voortdurend: Malinese zakenlui bestelden eten vanuit hun hotelkamers in de omgeving. Op een rij stoelen zat een groepje Chinezen te wachten. Telkens wanneer Badialo klaar was met een bestelling, nam een van hen die aan en verdween in de nacht.
Het duurde even voor ik begreep wat er gebeurde. ‘Dus Chinese loopjongens brengen het eten rond?’ ‘Maar natuurlijk!’ zei Sekna. ‘Ze komen uit de brousse, ze zijn blij dat ze wat geld kunnen verdienen.’
Met zelfverzekerde pas liep Sekna door Chocolate City, de Afrikaanse buurt van Guangzhou, langs gehandicapte Chinese bedelaars die zich voortbewogen op planken met wieltjes eronder, waarop een cassetterecorder was gebonden die klagend Koranteksten ten gehore bracht. Sekna registreerde het zwijgend. Vroeger waren de mensen hier zo arm, zei hij, daar had je geen idee van. ‘Toen president Modibo Keita in de jaren zestig een bezoek bracht aan China, hadden de Chinezen zo’n honger dat ze elkaar opaten, wist je dat? Modibo bracht goud en mango’s voor Mao mee. Zag je de kleine mango’s niet die ze hier verkopen? Die komen oorspronkelijk uit Mali.’
In de straatjes aan de overkant van het Tianxiu-gebouw defileerde een bonte verzameling mensen: Nigeriaanse vrouwen met sierlijke hoofddeksels, een baby op de rug gebonden; Egyptische handelaars met hun Chinese vertaler; Senegalezen in glinsterend witte boubous; en tussen datalles een jong Chinees koppel, hip gekleed, nieuwsgierig rondkijkend naar al dat leven om hen heen. Het wemelde er van de goedkope hotels, fruitstalletjes, massage- en manicuresalons. Als ze de politie ontwaarden, vouwden ambulante handelaars hun dekens met spulletjes gauw dicht of gingen met hun kledingrek op de schouders aan de wandel.
Sekna’s obsessie met zakendoen was groot; als ik hem een pepermuntje gaf, proefde hij het zorgvuldig, wilde weten waar het vandaan kwam, bestudeerde het papiertje – in gedachten zag hij al een 40-voetcontainer met dat spul richting Afrika varen. ‘Jij en ik,’ zei hij, ‘wij zouden samen goede zaken kunnen doen.’ ‘Maar ik ben een schrijver,’ protesteerde ik. ‘En waarom zou je geen twee dingen tegelijk kunnen doen?’ ‘Ik weet helemaal niets van handel.’ ‘Dat geeft toch niet? Ik kan je wegwijs maken!’
Hij had een horloge met drie tijdzones. Soms drukte hij een van de knoppen in en sloeg aan het bellen: drie uur ’s middags in Guangzhou was negen uur ’s ochtends in Brazzaville – tijd om te overleggen met zijn neef die op zijn winkel paste. Op een nacht belandden we in een restaurantje waar een Oeigoers echtpaar geroosterde duif serveerde. Alle tafels om ons heen waren bezet en iedereen zat te telefoneren: aan de andere kant van de Indische Oceaan liep de werkdag op zijn eind.
De Engelse antropoloog Gordon Mathews, die onderzoek doet naar een soortgelijke handelsgemeenschap in de Chungking Mansions in Hongkong, noemt het low-end globalization. Het is een treffende term, voor mijn ogen rijst meteen het beeld op van een groot beest met een lange, zwiepende staart waaraan de minstbedeelden der aarde zich manhaftig hebben vastgeklampt. Ze liften mee, ze kijken om zich heen – ze zien alles.
Sinds hij Guangzhou had ontdekt, ging het goed met Sekna’s zaken. Maar China werd duurder, zei hij, sommige handelaars begonnen uit te wijken naar de buurlanden. Een week na onze ontmoeting stapte hij op het vliegtuig naar Thailand; daar had hij veel interessante verhalen over gehoord.

De 23-jarige Ching, een intelligente, ambitieuze Chinees die Engels had gestudeerd, droomde ervan in het buitenland te gaan werken. Hij kwam uit een arme familie; zijn moeder was gescheiden. Hij had gesolliciteerd naar een functie als vertaler bij een Chinese mijnmaatschappij in Congo. ‘Afrika is mijn enige kans,’ zei hij, ‘het is de weg van de desperado’s, die risico’s willen nemen om rijk te worden.’
Op een zondag maakten we een wandeling in de heuvels achter de universiteitscampus. Onderweg vertelde Ching me dat zijn moeder zich hevig verzette tegen zijn plan om naar Afrika te gaan. Ze was bang. Zijn ooms belden hem voortdurend om te zeggen dat zijn vertrek haar dood zou zijn. Hij wist niet meer zo zeker of hij wel wilde gaan.
We wandelden naar de top van de hoogste heuvel en aten na afloop in een Koreaans restaurant. Het was al laat toen ik naar mijn logeeradres aan de andere kant van de stad ging. De taxi reed dwars door de Afrikaanse buurt van Guangzhou. Op de hoek van een straat stond een Afrikaan druk gebarend te bellen. Verderop trokken twee mannen loodzware tassen voort over de stoep. Ik werd overvallen door een immens gevoel van droefheid. Al dat gesjouw van het ene continent naar het andere – kon Afrika dan niets zelf maken?
Eerder die week was het al gaan knagen. Ik was de eigenaar van bar-restaurant Riviera uit Kisangani tegen het lijf gelopen. Zijn broer en hun vrouwen waren er ook. Met zijn vijven waren we naar de meubelstad Foshan gegaan, waar ze bankstellen, tafels, sanitair en tegels hadden uitgezocht voor de hotels die ze in Congo aan het bouwen waren. Ik dacht aan de lange reis die de goederen zouden maken voor ze hun bestemming bereikten, eerst over water, dan over land, aan de problemen bij de douane. En dat terwijl het hout waarvan sommige meubels gemaakt waren misschien wel uit Congo kwam.
De weken daarvoor was ik als in een droom van het ene in het andere verhaal getuimeld. ‘De meeste mensen verlaten een kamer via de deur,’ had een Afrikaan me gezegd, ‘wij gaan desnoods via de muur naar buiten.’ De beweging, de energie, het optimisme fascineerden me. Maar nu begon ik de schaduwzijde te zien. Het was tijd om mijn perspectief te verbreden, om nieuwe horizonten op te zoeken.

Zoals Sachin en Vishal indertijd Afrika exploreerden, zo reisde ik de maanden daarna door China. Voorzichtig: eerst de steden in het oosten, daarna dieper het binnenland in. Binnenkort ga ik opnieuw die kant op. Ik ontmoet Afrikaanse studenten, Chinese onderzoekers, ik woon conferenties bij waar Afrikanen, Chinezen en westerlingen soms flink met elkaar in de clinch gaan.
Ik realiseer me dat het onmogelijk is de relatie tussen Afrika en China te doorgronden zonder me te verdiepen in de economische en politieke aspecten ervan, maar als schrijver ben ik op zoek naar het verhaal achter deze ontmoeting, naar de manier waarop zij ingrijpt in de levens van Afrikanen en Chinezen.
‘Als ik het Louvre of het Kasteel van Versailles bezoek, voel ik me geïntimideerd,’ zei een Rwandees die in 1995 voor het eerst in China was. ‘Al die geschiedenis – dat kunnen wij nooit meer inhalen. Maar als ik kijk naar de evolutie die China de afgelopen decennia doormaakte, denk ik: Waarom zouden wij dat niet kunnen?’
Een Afrikaan die zijn landgenoten adviseert bij de aankoop van Chinese machines, vertelde me: ‘Vroeger dachten Afrikanen bij een fabriek meteen aan Duitse gevaartes waar je een gebouw van drie etages omheen moest bouwen. Tegenwoordig kan je voor 5000 euro een kleine industriële eenheid kopen waarmee je thuis in je salon mobieltjes in elkaar zet, of tandpasta, sap of blikjes frisdrank maakt. China heeft de industrialisatie voor ons gedemocratiseerd.’
Het contact met China zet Afrikanen aan het denken, maar de reflecties van Chinezen over Afrika zijn niet minder interessant. In gezelschap van een groep Chinese docenten en studenten reisde ik met de nachttrein van Peking naar Xiangtan, waar een conferentie zou plaatsvinden over Afrikaans recht.
Vier couchettes per coupé – nadat we broederlijk samen hadden geslapen, kwam Li Baoping, de sympathieke Chinese docent Afrikaanse geschiedenis van de universiteit van Peking, ’s ochtends naast me zitten en vroeg of ik in Afrika wel eens met de trein had gereisd. ‘Jazeker,’ zei ik, ‘en u?’ Hij knikte. Enkele maanden eerder had hij in Kameroen de trein genomen van Yaoundé naar Douala. ‘En?’ Hij lachte fijntjes. ‘Daar maakte ik kennis met de Kameroense corruptie.’
De passerende controleur besloot dat zijn visum niet in orde was. Waarom had Li Baoping gezegd dat hij een toerist was, terwijl hij een zakenvisum had? Of hij hem maar even wilde volgen. In de gang zei de controleur dat hij hem eigenlijk mee moest nemen naar zijn baas, maar als Li Baoping wilde, konden ze het ook onder elkaar regelen.
‘Schaam je!’ riep hij toen de Chinees hem een munt van 500 CFA – één euro – toestopte. Hij wilde minstens het tienvoudige.
‘Een vriend van me die in de Verenigde Staten woont,’ protesteerde Li Baoping, ‘verdient zeven dollar per uur door te werken, en ik zou u in veel kortere tijd tien dollar laten verdienen door niets te doen? De Kameroense ambassade heeft mij een visum gegeven als professor. Waarom zou ik in mijn vrije tijd geen toerist mogen zijn? U beledigt de autoriteiten van uw land met uw gedrag.’
De controleur sputterde tegen dat hij alleen maar zijn plicht deed. ‘Wij hadden in China ooit een filosoof die Confucius heette,’ vervolgde Li Baoping, ‘hij zei: Iedereen wil geld verdienen, dat is normaal, maar laten we het doen op een eerlijke manier.’ Al die tijd zat Li Baopings paspoort in het borstzakje van de man, maar nu gaf die het hem terug en zei: ‘Scheer je weg!’
Confucius in een trein in Kameroen, dat is weer eens wat anders dan de blijde boodschap van Jezus Christus, of de leer van Mohammed.

Na Afrika komt China me voor als een tapijt met fijn geweven motieven. Zo’n treinreis naar een conferentie in het binnenland: als ik er eenmaal deel van uitmaak, hoef ik me nergens meer om te bekommeren. Na afloop sta ik nog wel eens bevreesd om me heen te kijken. Wat nu? Maar algauw dient een nieuwe gebeurtenis zich aan. Trein, bus, elektriciteit, internet – ze doen het allemaal.
In het Afrikaanse tapijt zijn heel wat gaten gevallen, die door een ijverige maman met grof garen zijn gestopt; met kunst- en vliegwerk manoeuvreren mensen van de ene kant naar de andere. Het is goed om hierna in een meer geordende wereld te zijn. En toch. Toen ik laatst in Guangzhou een dienst bijwoonde van een Afrikaanse sekte en de warme, ritmische stemmen van het Congolese koor door de zaal golfden, stroomden de tranen me over de wangen.
Ik peddel door het Chinese landschap, me stevig vasthoudend aan mijn Afrikaanse prauw. De verhalen buitelen mijn bootje binnen. Li Shudi, een leraar kunstgeschiedenis uit het Chinese stadje Kaifeng, vertrok in het begin van de jaren negentig naar Zuid-Afrika om er in een Taiwanese tapijtfabriek te werken. Hij sprak geen woord Engels en sliep ’s nachts, als iedereen naar huis was, op een houten plank in het fabriekskantoor. De eerste maanden voelde hij zich zo eenzaam dat hij elke avond een fles goedkope wodka leegdronk. Soms deelde hij zijn fles met de zwarte bewaker die, gewikkeld in een deken, bij de poort zat. Woordeloos staarden ze naar het knisterende houtvuurtje dat de man had aangestoken, naar de maan en de bergen in de verte.
Inmiddels is Shudi teruggekeerd naar China en geeft hij les aan de Academie voor Schone Kunsten in Jinhua. Op een avond projecteerde hij op de witte muur van zijn woonkamer foto’s van zijn familie. Zijn vader was docent kunstgeschiedenis geweest, net als hij. Tijdens de Culturele Revolutie werd hij door zijn collega’s en studenten zo beschimpt en geslagen dat hij zich had opgehangen. Shudi was toen veertien jaar.
Het was donker in de kamer, de projector maakte een zoemend geluid. Een foto van Shudi’s vader als jongeman, het hoofd rechtop, lachend. Een foto van zijn moeder in gelukkiger tijden, liggend in het gras, verliefd. De kleine Shudi, rechtopstaand in een ouderwets looprekje, gekleed in een wit schortje met een konijn erop, een bloem in de hand. En daar was zijn vader weer, ernstig deze keer, de blik naar binnen gekeerd, bijna bang. ‘Dat was enkele maanden voor zijn dood.’ Shudi’s stem klonk afgemeten.
Ik zat stil naar de foto te kijken. Wilde Shudi zijn pijnlijke herinneringen ontvluchten, was hij daarom naar Zuid-Afrika gegaan? Maar hij was teruggekomen. ‘Het gaat niet goed daarginder,’ zei hij, ‘president Zuma boezemt me geen vertrouwen in.’ Hij had zich verzoend met zijn Chinese verleden. ‘Maar het moderne China overdondert me soms zo dat ik heimwee heb naar de eenzaamheid van mijn eerste maanden in Zuid-Afrika.’ Ik keek naar zijn gezicht in het halfdonker. Wat hij net had gezegd, leek hem zelf te verbazen.

Als ik denk aan mijn negen eerste maanden in Dubai en China, zie ik een auditorium vol mensen voor me. Sommige gezichten beginnen me vertrouwd te worden, sommige stemmen klinken boven de andere uit. Om als Europeaan, afstammeling van een volk datAfrika koloniseerde, getuige te zijn van de relatie tussen volkeren die geen koloniale geschiedenis met elkaar delen, is een bijzondere ervaring.
De Malinese Sekna die niet kan lezen, maar zonder vrees op het vliegtuig naar China stapt, de Chinese Shudi die na jaren in Zuid-Afrika zijn weg probeert te vinden in het nieuwe China – tot voor kort onttrokken hun levens zich aan mijn westerse oog, nu zijn ze alomtegenwoordig in mijn gedachten. Al kruisen hun paden elkaar niet, hun dromen haken in elkaar. Het beest van de globalisering heeft hen opgetild; helemaal thuiskomen zullen zij nooit meer. In de verte beginnen de contouren van een verhaal zich langzaam af te tekenen.


Lieve Joris