'Ze is onder de mensen gegaan, in Congo, in Hongarije, in Egypte, in Syrië, in Mali. Ze is er telkens in geslaagd om veilig weer terug te keren, en ze had altijd een verhaal bij zich.' Maarten Asscher in Ons Erfdeel

HOME   WERK   LEVEN   BEELD   NIEUWS   COLUMNS   AGENDA   CONTACT   EN/FR

Brief aan mijn jongere ik

Op zondagmiddag 28 juli 2013 was Lieve Joris te gast in het IKON-radioprogramma De Andere Wereld, dat haar vroeg een brief aan haar jongere ik te schrijven. Over achttien zijn en het ouderlijk huis verlaten op het ritme van Leonard Cohens 'Winter Lady':


Achttien was ik, in de tuin zong Leonard Cohen Travelling lady, stay awhile, until the night is over. I’m just a station on your way, I know I’m not your lover. Op het ritme van zijn muziek vloog ik weg uit het ouderlijk huis.
In de universiteitsstad Leuven zoemden de jaren zestig nog na en algauw woonde ik in een commune met een man die zijn vrouw en drie kinderen voor me had verlaten. Het was de enige keer in mijn leven dat mijn zachtaardige vader me, aangevuurd door mijn moeder, zou slaan – waar hij me de rest van zijn leven vergiffenis om zou vragen.
Mijn geliefde zei dat je familie de satan was waarvan je je moest bevrijden en wilde tegelijkertijd een kind met me. Mijn moeder reed, op zoek naar haar verloren dochter, toeterend in haar groene Simca door de straat en belde eindeloos aan zonder dat iemand het hart had de deur voor haar te openen.

Ik wilde schrijven, maar had behalve Willem Elsschot, Louis Paul Boon en Jef Geeraerts nauwelijks iets gelezen. Nu lag ik met Jack Kerouacs On the road in het zwevende bed dat mijn geliefde had gebouwd. Architect was hij, van een eigenzinnig soort. In meubels geloofde hij niet; met een stapel planken maakte hij constructies die hij bij elke verhuis afbrak.

De stijve mannen die me toespraken in het auditorium van de universiteit konden me niet bekoren. Statistiek, ontwikkelingspsychologie – ik begreep niet wat het met mijn leven te maken had. Zes jaar had ik op kostschool bij de nonnen gezeten, eindelijk was ik vrij. Met opgetrokken schouders sjokte ik door de straten in mijn groene broek, parka en pukkel van de Stock Américain, zware legerschoenen aan mijn voeten. Samen met mijn geliefde plukte ik herderstasjes waar we thee van brouwden, varens waar we soep van kookten.

Het is moeilijk in contact te komen met het meisje dat ik in die jaren was, te begrijpen wat er in haar was gevaren. Hoe kon ik, de oogappel van mijn grootmoeder, ik die met zoveel ontzag voor ouderen was opgegroeid, mijn moeder onverrichterzake naar huis laten rijden, de hele weg van Leuven naar Hasselt huilend achter het stuur?

Gelukkig liet ik me in het zwevende bed geen kind aanpraten en griste ik het telegram waar mijn moeder op haar zoveelste expeditie naar Leuven mee in de kamer stond te zwaaien, uit haar handen: een uitnodiging om als au pair naar de Verenigde Staten te gaan.

In het souterrain van de villa aan de rand van Washington DC droomde ik – tussen het spelen met de kinderen door – verder. Na negen maanden woonde ik opnieuw in een commune. Enkele kilometers verderop barstte het Watergateschandaal los. Ik volgde president Nixons debacle op de voet, tot hij als een bloedende haai werd afgevoerd uit het Witte Huis.

Met een Amerikaanse vriendin liftte ik van oost naar west. De risico’s die ik nam lijken me zoveel jaar later enorm. In een disco stond een langharige man bij de bar; voor ik het wist had ik Jeanie achtergelaten en zat ik in zijn auto op weg naar wat een woonwagenkamp bleek te zijn. Even later lag ik op een groot bed in een kamer met een spiegelplafond. Wat als de man me de volgende ochtend niet had teruggebracht, hoe zou Jeanie ooit geweten hebben waar ik was verdwenen?

Ik woonde in de liedjes van Leonard Cohen, ik was een travelling lady, maar ook een sister of mercy, die een eindje meewandelde met elke man die mijn pad kruiste. Twee vrachtwagens kwamen met gierende banden tot stilstand bij de oprit naar de snelweg. De zwarte bestuurders waren gespierd en zeiden dat ze ieder één persoon konden meenemen. Jeanie had haar rugzak al opgetild – in een impuls trok ik hem uit haar handen; de eerste en enige keer dat ik nee zei.


Terug in Washington DC ontmoette ik Kamal, een Palestijnse kunstenaar die me vertelde over de eeuwenoude straten van Jerusalem waar hij was opgegroeid. Ik kreeg heimwee naar Europa en nadat Kamal me had meegenomen naar Libanon en Syrië, spoelde ik opnieuw aan in het ouderlijk huis.

Mijn grootmoeder was overleden en voor het eerst stond ik alleen tegenover mijn moeder. Ze begreep niet dat ik me opsloot in mijn kamer met een typmachine en een stapel boeken die Kamal me had aangeraden te lezen. Stof afnemen moest ik, de vloer dweilen, op zoek gaan naar een man. Vier maanden later vluchtte ik naar Nederland, waar ik eindelijk mijn weg zou vinden.

Maar wat had ik gedacht, dat ik het gezin van negen waarin ik was opgegroeid, zomaar achter me kon laten? Die witte villa aan het kanaal in Neerpelt, het oude huis van mijn grootmoeder aan de overkant waar ik ging schuilen als het thuis te druk werd – het verleden kleefde aan mijn voeten als natte klei.

Vijftien jaar nadat mijn moeder vruchteloos heen en weer reed tussen Neerpelt en Leuven, reisde ik een oom van mijn vader achterna, die missionaris was geweest in Congo. Verbaasd keken mijn ouders op de presentatie van Terug naar Congo naar de paters in hun zwarte soutanes, die glimmend van trots hun opwachting maakten. ‘Maar Lieve,’ zei mijn moeder, ‘waar hebt gij toch leren schrijven?’ Mijn vader klemde het boek, dat aan hem was opgedragen, stevig onder zijn arm. De lange reis terug naar de wereld die me had voortgebracht, was begonnen.